Het leven van Kees Verwey
Atelier
Haarlem. In het zeventiende-eeuwse huis aan ’t Spaarne leidde een smalle houten trap naar Verweys vermaarde atelier. De ‘schatkamer’, zoals de schilder het zelf wel noemde, of ‘mijn Himalaya’ lag op de eerste verdieping aan de straatkant.
Drie vakwerkramen, aan de binnenzijde zelden schoongemaakt, ontvingen het noordoostelijke licht. Het door stof gezeefde licht bescheen een onbeschrijfelijke wanorde, organisch gegroeide troep op een lang vergeten zolder. Verwey was de eerste om de chaos toe te geven. Hij zei: ‘Het is een ontzettende bende, dat kan niet worden ontkend. Maar ik haal er alles uit. Kijk als ik nou niet zou schilderen, zou ik het een rommeltje vinden. Maar ik ben nog niet bezig, of het is het mooiste dat ik op de wereld ontwaar.’
Na Verweys dood, op een warme junidag in 1995, gingen er stemmen op om het legendarische atelier voor het nageslacht te bewaren. Als een soort museum. Een heilloze gedachte. Zonder het oog van de meester was de rotzooi die atelier heette, niets meer dan dode, verwelkte materie. Het atelier leeft voort in de schilderijen van de grote Haarlemse kunstenaar die op zijn 85ste verjaardag zijn credo verkondigde met de woorden: ‘Het licht dat langs de gordijnen strijkt boeit mij oneindig veel meer dan het hele leven dat achter mij ligt’.
Over de mise-en-scène van zijn stillevens werd niet lang nagedacht. Doorgaans was de samenstelling een kwestie van toeval. Over het beeld met de bleek verdroogde disteltak vertelde hij op het atelier: ‘Kijk, dit is de distel van het schilderij dat de gemeente Haarlem heeft gekocht. Zie wat een prachtig licht dat ding teruggeeft. Om nooit meer weg te doen. Kennissen in Bloemendaal hadden deze geweldige distel staan. Uit gekkigheid zei ik: die moeten jullie mij geven. Ze hebben hem waarachtig met een zaag omver gehaald en mij meegegeven. Hier kon hij niet overeind staan. Ik heb hem gewoon in het atelier neergesmeten, half op die stoel. En zo ligt hij nu al jaren.’
In de jaren zeventig van de twintigste eeuw schilderde Verwey talloze doeken van aanzienlijk formaat (tot twee bij twee meter) met het atelier als onderwerp. De reeks atelierstukken vormt het hoogtepunt van zijn oeuvre. Zelf zei hij over zijn schilderkunstige bezwering van de vergankelijkheid: ‘Met deze serie heb ik mijn kosmos in één grote cirkelbeweging trachten te vangen. Maar ik ben me bewust van de beperkingen. Want als ik nu weer als een spin in dit web ga zitten, zie ik onmiddellijk nieuwe, ongelooflijke dingen opdoemen in elke hoek waar mijn oog op valt.’
De complete reeks atelierstukken werd eind 1978 in het Amsterdamse Stedelijk Museum voor het eerst getoond. De expositie was een groot succes. Eindelijk onvoorwaardelijke erkenning van zijn kunstenaarschap. In recensies werd Verwey geplaatst naast de andere grootmeesters van het strijkende Hollandse licht: Rembrandt, Vermeer, Breitner en Verster. Bovendien betekende de tentoonstelling erkenning door de eigen tijd; op z’n 78ste jaar excelleerde hij in de tempel van de moderne kunst, het Stedelijk Museum.