Het leven van Kees Verwey

Portretten

Portret en zelfportret hebben Kees Verwey van kinds af aan geboeid. Als jongetje van negen, tien, elf jaar oud tekende hij zijn vader, zijn moeder, zijn broer, zijn zus en zichzelf. Hij zou het zijn hele lange leven blijven doen: iedereen portretteren die van dat leven deel uitmaakte. Zijn oom Albert, zijn vrouw Jeanne, kunstvriendin Charlotte van Pallandt. Maar ook de loodgieter met de markante kop die voor een reparatie kwam. ‘Ga even zitten,’ zei Kees dan, graaide uit een zijzak van zijn tweed colbert een pijpje houtskool en schetste met krassende lijnen een karakteristiek portret.

Met portretten in opdracht had hij een haat-liefde verhouding. Talloze ruzies en misverstanden zijn er uit voortgekomen. De letterlijke gelijkenis was vaak het hete hangijzer. Verwey hechtte daar niet zo aan. Hij verstond de kunst van het doorgrondelijk kijken; wist door goed te kijken in de psychologie van het model door te dringen. Zonder vragen. Alleen maar kijken, soms met vernauwde ogen, in stilte op het atelier. Daarvan werd de geportretteerde niet mooier, knapper of edeler. Wel karaktervoller, omdat de persoonlijke blik van de schilder een geheel eigen kleur gaf aan de verschijning van de geportretteerde.

De zelfportretten zijn de meest onthullende portretten die Verwey heeft gemaakt. Al zijn eigenschappen zijn erin terug te vinden. We zien een norse man, een onzekere kunstenaar, een bravoure-schopper, een in zichzelf gekeerde dichter, een ironicus, een notoire dwarsligger. En vooral zien we die blik vol argwaan, soms zelfs ronduit achterdocht. Zo beschouwde hij de mensheid, niet met scheutig vertrouwen.

Translate